Wereldreis deel 4 – Atlantische Oversteek – 17 tot 24 november 2018

In de tweede week waren we al behoorlijk gewend. Het gevoel dat dit weken ging duren begon in te dalen. Ik miste Carol al wel erg. Zij had haar première van de Brothers in Arms toer al gehad, en ik had geen idee hoe dat gegaan was. En het gemis begon wel te knagen. We konden op geen enkele manier contact hebben. Alleen bij een calamiteit zou zij via GPS en satellietcommunicatie op de hoogte gesteld worden. En ik kon al helemaal niets van haar te weten komen.

Na zes dagen op zee hebben we de wachten gewisseld. Simon had bedacht om de nachtwachten in te korten tot 2 uur, in plaats van 2,5 uur. Zo waren de wachten beter verdeeld. En dan pastte het wel precies in 24 uur. 8 wachten van 2,5 uur, en 2 van 2 maakt immers 24. Tijdens de wacht met Elena hebben we de meest bijzondere en fantastische meteoriet horizontaal langs de hemel zien scheren. De hele lucht en de zee lichtte groen op. En het duurde ook onbeschrijflijk lang. Toen hij weg was zei Elena meteen: “Nog een keer!”. Maar ja, als je gaat zitten wachten, gebeurt het natuurlijk niet. Het is zo bijzonder om te bedenken dat wij misschien de enige mensen op aarde zijn geweest die deze supermeteoriet hebben gezien.

In de tweede week werden de golven geleidelijk ook steeds hoger. Dat was wel een aanslag op ons humeur. En koken en afwassen werd een hele toer. Mok voor mok, lepel voor lepel, bord voor bord afwassen, drogen, wegzetten. Als je stapeltjes maakte, dan vloog dat door de kajuit. Op een heel plotselinge golf werd ik omhoog gegooid, en belandde ik met mijn onderste rib op de bovenkant van de hoge kast bij de navigatietafel. Ik wist meteen dat het mis was. Ik had mijn rib gekneusd. En dat was niet de eerste keer, en ook niet de eerste keer op zee. Om precies te zijn, de derde keer. En ik wist dat dit niet leuk ging worden. Gelukkig, bleek het een zwevende rib te zijn. En daar zitten geen spieren aan. Liggen is heel lastig, zitten is heel lastig, eigenlijk is alles heel lastig. Maar lang zo lastig niet als één van de hogere ribben. Dan kun je namelijk helemaal niets meer, niet lachen, niet ademhalen, niet bewegen. Mijn advies, als je dan toch zo nodig een rib wil kneuzen, kies dan voor een zwevende!

Het meegenomen brood raakte op, dus we moesten nu gaan bakken. Aanvankelijk ging dat heel goed. Tot de gist op was. Toen we aan de nieuwe gist wilde beginnen, bleek dat bakpoeder te zijn. Daar kun je wel bakstenen mee maken, maar brood lukt niet. En zonder google ben je helemaal op je eigen vindingrijkheid aangewezen. Gelukkig had David als student wel eens wat geëxperimenteerd met zuurdesem, tot grote ongenoegen van zijn medestudenten. Het goedje kwam wel eens tot leven in de gezamenlijke koelkast. Maar nu hadden we er baat bij. Met wat melk, wat meel en wat suiker had David binnen 2 dagen het eerste geslaagde brood gemaakt.

Tot midden op de oceaan kwamen we vogels tegen. Eigenlijk waren het maar twee soorten. Wilsons stormvogeltje en de grote pijlstormvogel. Met name de eerste is een heel dapper vogeltje, amper groter dan een duif. En ze moeten blijven vliegen, dag en nacht. Één keer is er eentje in de kuip geland en heeft hij een uurtje zitten uitrusten. Als ze op het water gaan zitten zijn ze een dankbare prooi voor allerlei onderwaterroofdieren, zoals dolfijnen, haaien en tonijnen. Deze vogels lijken vooral te leven van de vliegende vissen. De vliegende vissen worden opgejaagd door tonijn en dolfijn. Dan denken ze te ontkomen door weg te vliegen, en dan worden ze uit de lucht geplukt door een vogel. Of je belandt in het gangboord van een voorbijvarend jacht. Als vliegende vis ben je altijd de pineut. We maakten elke ochtend een rondje door het gangboord om de vangst binnen te halen.

We hebben ook een paar keer een hengeltje uitgegooid. Dat ging best goed. We hebben prachtig gekleurde vissen gevangen. Het gekke is, dat die vissen hun kleur verliezen op het moment dat je ze doodt. Dat is heel bijzonder om te zien, en ook wel een beetje verdrietig, vond ik.

Ik was heel blij met de boordbieb. Ik had zelf ook voor vertrek nog wat boeken uit onze boekenkast gedoneerd. Maar er stonden ook nog genoeg boeken die ik nog niet gelezen had. Mijn favoriet was de verhalenbundel “Het wezen van de Olifant” van Toon Tellegen. Dat boek neemt je mee in een filosofische wereld waar je lekker in kunt verdwalen. Het roept een gevoel op dat ik alleen maar ken van dromenland in de vroege ochtend. Een wereld waar alles kan, maar waarin klein geluk tegenover grote teleurstellingen staat.

‘Hallo olifant’, zei de eekhoorn.

‘Hallo eekhoorn’, fluisterde de olifant. ‘Ik ben gevallen.’

‘Waarom klim je toch ook altijd in bomen?’ vroeg de eekhoorn.

‘Niet om te vallen’, huilde de olifant. ‘Als je dat soms denkt.’

Hij zat op de grond en voelde aan zijn achterhoofd. Toen zei hij: ‘Het gaat wel weer’, stond op en strompelde weg.

Maar even verderop bleef hij staan en keek om.

‘Weet je waarom ik in die boom klom?’ vroeg hij.

‘Nee’, zei de eekhoorn.

‘Omdat ik daar, helemaal bovenin, mijn verjaardag ga vieren. Ik wou vast even kijken waar iedereen het beste kan staan.’

‘Daar??’ vroeg de eekhoorn.

‘Het is mijn verjaardag’, zei de olifant en liep door.

Een paar dagen later vierde de olifant zijn verjaardag boven in de eik

Hier staat het hele verhaal. Als ik dat herlees, zit ik in gedachten direct weer midden op de Oceaan!

In de tweede week hebben we een dag of wat minder wind gehad. Een halve dag was er zelfs helemaal geen wind. Dat doet iets heel geks met je. Meteen ga je je zorgen maken dat je het niet gaat halen. We gingen rekenen hoe lang het nog zou duren als de wind zo minimaal zou blijven. Of we dan wel genoeg eten zouden hebben. Of de nieuwe opstapper wel door zou hebben, dat we te laat zouden zijn. Op het moment dat het gaat waaien, ben je dat ook direct weer vergeten, en denk je dat dat het zo blijft. Mensen zijn rare wezens. We konden de windstilte wel mooi gebruiken om even op 4 kilometer diep water te zwemmen. Dat is wel een rare gewaarwording. Maar wel leuk!

 

Geef een reactie