In Nederland is het in principe verboden om in het openbaar bloot te zijn, tenzij het expliciet is toegestaan en tenzij de plaats kennelijk geschikt is. Dit is geregeld in artikel 430a van het wetboek van strafrecht. En op zich is dat best fijn want dat betekent dat bloot in het openbaar in principe geen zedenmisdrijf is. En de wet werkt ook best goed, omdat er nagenoeg nooit een veroordeling volgt op een bekeuring.

Principieel

Ik vind het echter principieel onjuist dat bloot zijn geen grondrecht is. Zo lang naakt zijn namelijk in principe strafbaar is, bestaat er altijd onzekerheid over de legitimiteit. Zowel de handhavers als de “overtreders” weten niet precies waar ze aan toe zijn. Het hof heeft namelijk in haar laatste oordeel over de zaak van de Delftse Hout vastgesteld dat de geschiktheid van een plaats kan veranderen als de maatschappelijke opvattingen veranderen. Als we het voor elkaar zouden krijgen dat bloot helemaal uit het wetboek van strafrecht verdwijnt maar als grondrecht zou terugkomen, dan zijn we al een stuk verder.

Grondwet of het Europese Hof voor de rechten van de mens

Ik denk niet dat het haalbaar is om de grondwet op dit punt te veranderen. Daarvoor is tweederde meerderheid nodig en het moet dan ook nog een keer voor en na de verkiezingen. En ik ben bang dat niet één partij dit punt belangrijk genoeg vindt. Maar misschien kunnen we het een keer aankaarten bij het Europese Hof voor de rechten van de mens. Ik ben bang dat we niet veel hebben aan artikel 10 lid 1 van het Europese Verdrag voor de rechten van de mens. Weliswaar wordt daar de vrijheid van meningsuiting geregeld, maar in lid 2 staat ook weer dat staten met behulp van wetten dit weer kunnen inperken, en daar worden met name de goede zeden genoemd. En 430a is natuurlijk zo’n wet. En je zou kunnen zeggen dat volgens de goede zeden je niet zomaar overal in je blootje verschijnt. Ik acht dat dus ook niet erg kansrijk. Maar misschien is er ergens jurisprudentie die ons wel kan helpen. Wie weet meer? Reacties kunnen onder aan deze pagina worden toegevoegd!

Artikel 10 – Vrijheid van meningsuiting

  1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio- omroep-, en bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.

  2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk (proportioneel en subsidiair) zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.